Contact | Forum | Sitemap | Disclaimer | Zoeken

NIEUWS

conservatie 14e eeuwse Anjou bijbel
In de Maurits Sabbebibliotheek van de Katholieke Universiteit Leuven bevindt zich de 14de eeuwse Anjou-bijbel. Deze is vanwege zijn huidige staat van conservering nooit aan het publiek getoond. Daar wordt nu aan gewerkt.

foto Rob Stevens



Geschiedenis van de bijbel
 
In de bibliotheek van de Faculteit Godgeleerdheid van de K.U.Leuven wordt een grote
verzameling handschriften bewaard, voornamelijk afkomstig uit het Grootseminarie van
Mechelen. Pronkstuk van de collectie is een verluchte bijbel, bekend onder de naam Bible
Angevine of Anjou-Bijbel. Het uitzonderlijk rijkelijk versierde handschrift is ontstaan in het begin van de veertiende eeuw aan het hof van Robert I van Anjou (1277-1343), koning van Napels. De openingsdiptiek van de Anjou Bijbel illustreert die rijke geschiedenis.
Tussen 1808 en 1821 behoort het handschrift tot de collectie van het Grootseminarie van Mechelen. Sinds 1970 is het in depot gegeven aan de bibliotheek van de Faculteit Godgeleerdheid van de K.U.Leuven.

Naast twee volbladminiaturen bevat de bijbel meer dan 160 kleinere miniaturen −
initiaalversieringen ter introductie van de bijbelsecties en kleine miniaturen die alluderen op de bijbelse teksten en op historische gebeurtenissen die met het koningshuis zijn verweven − en op elke folio fantasierijke randversieringen.
Op de laatste bladzijde van de Apocalyps (fol. 311v), één van de belangrijkste teksten uit het Nieuwe Testament, staat de naam van de kopiist: Iannutius de Matrice incepit, mediavit et finivit hoc opus. De miniaturen zijn het werk van meerdere napolitaanse kunstenaars waaronder Christophorus Orimina die zich op folio 308 bekend maakt − […] quam illuminavit de pincello xpophorus orimina de neapoli − en van een tweede anonieme meester. De eerste is verantwoordelijk voor de creatie van alle 'historische'
miniaturen, waarin de herkomst van het handschrift en de verwevenheid met het koninkrijk Anjou aan het licht komen. Artistiek leunen ze sterk aan bij het oeuvre van Simone Martini (1284-1344), na Giotto de belangrijkste schilder van het trecento en vanaf 1315 hofschilder van koning Robert I van Anjou. Karakteristiek zijn de stevige, in de werkelijkheid verankerde figuren, met zware, vaak in profiel geschilderde aangezichten met Byzantijnse inslag. 

Digitalisatie en conservering van het handschrift
 
Ondanks de rijkdom is het handschrift bijna nooit aan het publiek getoond of onderzocht, omdat de staat van conservering verre van ideaal is. Zo is het handschrift aan het begin van de 20ste eeuw opnieuw gebonden in een te krappe band.
Een aanvang werd genomen met een integrale digitale opname van de 338 folio’s in juni 2008. Deze documentatie wordt als basis gebruikt voor de on-line consultatie die voor de KUL website en de tentoonstelling in het Museum M (2011) wordt gerealiseerd in de loop van het project. 
De conservatietechnische problemen zijn meervoudig. De begin twintigste-eeuwse boekband zit te strak en veroorzaakt destructieve plooien in het perkament. Zowel de picturale lagen als het bladgoud, zorgvuldig aangebracht op een licht bolle boluslaag, vertonen aanzienlijke sporen van verlies en craquelures. Een behandeling is noodzakelijk om verdere verpulvering en  verpoedering van de pigmenten en de inkt te voorkomen. Als er niets gebeurd dreigen picturale elementen van miniaturen en randversieringen te verdwijnen telkens als een folio wordt omgeslagen. Door de verticale plooien is er slijtage op de zwarte ijzergallusinkt. Om de verdere deteriorering te voorkomen worden de geplooide zones gevlakt en minimaal gereinigd. Daarnaast worden testen uitgevoerd om de verdonkering (verbruining) veroorzaakt door de vroegere verlijming te verwijderen. Indien noodzakelijk moet de inkt lokaal worden geconsolideerd met ultrasone mist en een consolidatiemiddel.
Om de juiste diagnoses m.b.t. de problemen van de inkten, de goud- en zilverfolies en de gebruikte pigmenten te kunnen stellen, zijn analyses met micro XRF, micro Raman spectrometrie, SEM-EDX en micro FT-IC noodzakelijk. Ook kunsttechnische vragen (bijvoorbeeld de stratificatie van de picturale laag en de ondertekening) worden met
fotografische en analytische technieken bestudeerd (IR reflectorgrafie, opnames met
doorvallend licht). Die onderzoeken worden uitgevoerd in het Koninklijk Instituut voor het
Kunstpatrimonium. 

Het grote publiek krijgt in 2011 de kans om de miniaturen te zien in het nieuwe Leuvense museum Stedelijk Museum M.
 
Het project wordt gecoördineerd door prof. dr. Jan Van der Stock van Illuminare, Studiecentrum voor Miniatuurkunst (KULeuven) i.s.m. de Faculteit Godgeleerdheid (K.U.Leuven) en het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium (Brussel).  Het Fonds Inbev-Latour financiert de conservatiebehandeling. Het wetenschappelijk onderzoek en de conservatiebehandeling worden gerealiseerd door dr. Lieve Watteeuw.

Bron: nieuwsbrief illuminare.

www.illuminare.be/

Ga terug
built by i-design